Column: Doelmatigheid en kwaliteit

Terug 20 augustus 2020

Column: Doelmatigheid en kwaliteit

Eind jaren negentig was de overheid bezig met een grote operatie om allerlei sectoren tegen het licht te houden van de productiviteit. Onder de noemer van 'Marktwerking en Regulering' verscheen het ene na het andere rapport hoe concurrentie de prijs-kwaliteitverhouding kon verbeteren. Toen ik als beginnend onderzoeker benaderd werd om offerte uit te brengen om dit ook te doen voor de watersector, deed ik dat braaf. Twee maanden later was ik, een beetje beduusd dat het gelukt was, projectleider van een onderzoeksteam.

We kwamen met een rapport waarin we stelden dat er weinig concurrentie was in de watersector. Zowel voor waterschappen wat betreft de zuivering van afvalwater als de drinkwatersector gold een wettelijk monopolie voor de meeste activiteiten. En veel transparantie over de prijs-kwaliteitverhouding was er niet. Het kon anders. Zo liet Engeland zien dat concurrentie op de markt mogelijk was door het monopolie te beperken tot het leidingnetwerk. En in Frankrijk waren goede ervaringen opgedaan met aanbestedingen van de markt. Toch adviseerden we niet gelijk die kant op te gaan, gezien het publieke belang van de watersector. Want concurrentie verhogen is ook risico nemen.

De watersector dient een groot publiek belang. Wie ooit in Afrika is geweest, zal dit bevestigen. Dat je altijd de kraan open kunt draaien en het koele water je dorstige keel kunt laten smeren, is daar geen gewoonte. Hier gelukkig wel. En dan ook nog voor een goede euro per 1.000 liter. Het belang van goed en relatief goedkoop drinkwater moet je niet in de waagschaal willen stellen door te experimenteren met vergaande nieuwe vormen van marktwerking.

We vonden het wel tijd worden voor meer transparantie en suggereerden via benchmarking bedrijven statistisch met elkaar te laten concurreren. Want water kost per liter niet veel, maar zeker voor de kleine portemonnee gaat het om serieus geld. En als daar op bespaard kan worden, dan moet je dat doen. Later heb ik diverse keren de peilstok in de watersector mogen steken en kon ik constateren dat de kosten per eenheid product flink waren gedaald.

Ook de laatste jaren is meestal sprake van een tariefdaling. Maar zelfs onder dit lichte regiem ontstonden discussies over te veel aandacht voor euro's en te weinig voor kwaliteit. Door alle aandacht zaten veel aandeelhouders en directies strakker op de centen dan in het verleden. En soms dreigde dan noodzakelijke investeringen uitgesteld te worden.

Het lastige in de watersector (net als in een aantal andere sectoren overigens) is dat kwaliteit moeilijk te meten is. Natuurlijk kun je de kwaliteit van het drinkwater uitstekend en simpel vaststellen. Maar de kwaliteit van het netwerk is iets anders. Eigenlijk moet je de kwaliteit van het water voorspellen voor de komende jaren, want je wilt tijdig investeren als er vervanging nodig is. In de watersector geldt immers het credo 'het is beter te voorkomen dan te genezen'. Incidenten met het niet kunnen leveren van water wil je niet.

Daarom denk ik dat de uitdaging voor de toekomst is om nog meer balans te zoeken tussen doelmatigheid en kwaliteit. Hoe kun je het een bevorderen zonder het ander op te offeren? Volgens mij door (toekomstige) kwaliteit nog scherper in kaart te brengen. Er zijn genoeg technologische ontwikkelingen die dit steeds meer mogelijk maken. En dan kun je productiviteit en investeringen expliciet aan elkaar relateren. Een mooie uitdaging voor de sector.

Elbert Dijkgraaf,

Nederlandse econoom en hoogleraar in de 'Empirische economie van de publieke sector' aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

Lees verder in Waterspiegel 3, juli 2020

Delen via: