'Zorgelijk beeld voor de bronnen voor drinkwaterproductie'

Terug 27 december 2019

'Zorgelijk beeld voor de bronnen voor drinkwaterproductie'

Op 1 november 2019 kwam het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) met de tussentijdse resultaten van de Nationale analyse waterkwaliteit, een onderdeel van de Delta-aanpak Waterkwaliteit. Vlak daarvoor, in september, presenteerde wateronderzoeksinstituut KWR zijn rapport over de kwaliteit van de Nederlandse drinkwaterbronnen. Dr. ir. Arnaut van Loon en dr. Stefan Kools, onderzoekers waterkwaliteit bij KWR, over de overeenkomsten en verschillen tussen beide onderzoeken.

De Nationale analyse van het PBL gaat over waterkwaliteit in brede zin. De tussentijdse notitie van 1 november legt de nadruk op de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) voor nutriënten, biologie en chemische stoffen in het regionale oppervlaktewater. Dat zijn onderwerpen die ook naar voren kwamen bij het onderzoek van KWR naar de kwaliteit van de bronnen van drinkwater in Nederland, dat in september is gepresenteerd. 

Wat was de belangrijkste conclusie uit het KWR-rapport?

Kools: 'Ons onderzoek geeft een beeld van de diversiteit aan knelpunten die spelen bij de drie bronnen voor drinkwaterproductie: oppervlaktewater, oeverinfiltratiewater en grondwater. De kwaliteit van het oppervlaktewater staat door diverse invloeden onder druk. Het gaat daarbij vooral om verzilting, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten en opkomende stoffen. In de toekomst zal de druk toenemen door het toenemende gebruik van nieuwe stoffen en de klimaatverandering.'

Steeds meer problemen bij grondwater

Van Loon: 'Voor de grondwaterkwaliteit hangen de knelpunten voornamelijk samen met nitraatuitspoeling, bestrijdingsmiddelen en historische bodemverontreinigingen. Deze problemen spelen nu nog vooral bij de ondiepere winningen, maar ook bij diepe winningen worden steeds vaker stoffen aangetroffen die daar van nature niet thuishoren. Doordat verontreinigingen op steeds grotere diepte geraken, worden ook opkomende stoffen een steeds groter knelpunt voor de grondwaterkwaliteit. Hierbij geldt dat een vervuiling van grondwater veel langer tot knelpunt kan leiden dan een verontreiniging van het oppervlaktewater. Voeg daarbij de toenemende benutting van de ondergrond – onder andere voor aardwarmte en opslag van koude en warmte – en je krijgt een beeld van de diversiteit aan mogelijke knelpunten die de drinkwatervoorziening parten kunnen spelen.' 

'De problematiek bij oeverinfiltratie – een mengvorm van oppervlakte- en grondwaterwinning – is vergelijkbaar met het oppervlaktewater, hoewel in sommige gevallen ook hier bodemverontreinigingen tot knelpunten leiden.'


Regionale verschillen

Volgens het PBL neemt het aandeel regionale wateren dat voldoet aan de KRW-normen voor de nutriënten stikstof en fosfor toe, volgens de eerste berekeningen tot zo'n 60-65%. Dit komt door de maatregelen die door de waterbeheerders en vanuit het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer worden voorzien voor de periode 2022- 2027. Wel zijn er grote regionale verschillen. Het percentage wateren dat goed scoort, is in het noorden het hoogst en in het Maasstroomgebied het laagst. Voor fosfor wordt ook een toename van het doelbereik na 2027 verwacht, doordat het effect van reeds genomen maatregelen pas op de middellange termijn op de waterkwaliteit zichtbaar wordt.

De nutriëntnormen in de KRW zijn opgesteld om een goede biologische toestand mogelijk te maken. De stand van de biologie wordt in de KRW afgemeten op vier maatlatten voor waterplanten, vissen, algen en macrofauna (kleine ongewervelde waterdiertjes). Volgens de eerste berekeningen komt het aandeel regionale wateren dat in Nederland voldoet op 40-60% per biologische maatlat; in 2009 was dit 20-35%. Toch concludeert het PBL dat de nu voorziene maatregelen niet overal voldoende zijn om op termijn het einddoel te halen. Ook hier zijn regionale verschillen te zien, die om een gedifferentieerde aanpak vragen.

Hoe is de situatie voor de drinkwaterbronnen? Zijn daar ook veel regionale verschillen?

Van Loon: 'De conclusies uit ons onderzoek en die van het PBL komen op hoofdlijnen met elkaar overeen. Er zijn grote regionale verschillen, zeker voor het grondwater. Dat komt door lokale factoren zoals voormalige industrieën, verzilting, het soort landgebruik rondom de winningen en de aanwezigheid van beschermende kleilagen in de ondergrond. Bij oppervlaktewater spelen onder andere de ligging van de innamepunten, de afvoerkarakteristieken van een rivier en het soort lozingen in een gebied.' 

Lees het hele interview in Waterspiegel 5 van 2019

Tags by dit artikel

Delen via:

Gerelateerd aan dit nieuwsbericht