Commissiedebat Water
Terug 6 juni 2024

Commissiedebat Water

Beschikbaarheid drinkwaterbronnen

De drinkwaterbedrijven hebben te maken met een toenemende drinkwatervraag door bevolkingsgroei, economische groei, en regionaal stedelijke uitbreiding. Alle tien drinkwaterbedrijven hebben vóór 2030 extra productiecapaciteit nodig, in een aantal gevallen al nu of op zeer korte termijn (RIVM, april 2023).
In de nota Water en bodem sturend staat “Voor de korte termijn krijgt het drinkwaterbelang daar waar nodig en onder strikte voorwaarde prioriteit, vanwege de leveringsplicht van drinkwaterbedrijven en de zorgplicht van overheden.” Dit beleid moet nu concreet worden ingevuld en uitgevoerd.
Vewin en IPO stellen samen met IenW een Actieprogramma beschikbaarheid drinkwaterbronnen 2023 – 2030 op. Ze brengen de knelpunten in kaart, inclusief mogelijke oplossingen en acties. Dit vraagt ook om een actieve invulling door de (nieuwe) minister van IenW van zijn systeemverantwoordelijkheid voor de openbare drinkwatervoorziening.
Het gepresenteerde hoofdlijnenakkoord geeft daar goede aanknopingspunten voor. In dit akkoord staat dat Nederland de vitale infrastructuur, waaronder de watervoorraad, zeker moet stellen. Dat heeft betrekking op de openbare drinkwatervoorziening. Het is zaak dat deze ambitie snel wordt uitgewerkt.

Snelle actie is des te belangrijker omdat het hoofdlijnenakkoord de ambitie bevat om ieder jaar 100.000 woningen bij te bouwen. Nu is niet gegarandeerd dat deze nieuwe woningen tijdig voorzien kunnen worden van drinkwater. Het hoofdlijnenakkoord stelt dat toekomstbestendig gebouwd wordt en dat rekening wordt gehouden met water, bodem, landschap en stedenbouwkundige kwaliteit. Dat betekent dat ook de beschikbaarheid van drinkwater moet zijn verzekerd.

Verzeker bij de uitwerking van het Hoofdlijnenakkoord dat:
  • het drinkwaterbelang daadwerkelijk prioriteit krijgt wanneer dat nodig is voor de leveringsplicht (bijvoorbeeld bij vergunningverlening, via de wet Versterking regie volkshuisvesting, in de Nota Ruimte, het NPLG en het Deltaplan Zoetwater);
  • het Rijk andere overheden aanspreekt op het nakomen van de zorgplicht;
  • het Rijk zo nodig op nationaal niveau extra maatregelen treft of voorziet in de noodregelgeving.
  • de financieringsruimte van de drinkwaterbedrijven wordt vergroot door aanpassing van de WACC-regelgeving.

WACC

Om de kwaliteit, kwantiteit en toekomstbestendigheid van het Nederlandse drinkwater op peil te houden, is het essentieel dat drinkwaterbedrijven de komende jaren fors meer investeren in een duurzame en toekomstbestendige infrastructuur.
In de Drinkwaterwet wordt de vergoeding voor het eigen en vreemd vermogen bij drinkwaterbedrijven begrensd aan de hand van de gewogen vermogenskostenvoet (ook wel weighted average cost of capital, of WACC). De WACC wordt driejaarlijks vastgesteld. In 2024 wordt onderzocht en vastgesteld wat het WACC- percentage voor de komende reguleringsperiode (2025-2027) zal zijn. De WACC-regelgeving houdt op dit moment onvoldoende rekening met de sterk gestegen investeringsbehoefte en de steeds strengere eisen van de banken. Gebrek aan financieringsruimte vormt daarmee een struikelblok voor het uitvoeren van de wettelijke taak van drinkwaterbedrijven. Dat verschilt weliswaar per bedrijf maar de urgentie is veelal groot.

Op 29 januari 2024 riep de Kamer via motie de minister op om vóór het einde van het eerste kwartaal 2024 duidelijkheid te geven over de WACC in de komende jaren. Tot op heden is deze nog niet verschaft. Die duidelijkheid is broodnodig en daarnaast roept Vewin de minister op om ook voor de lange termijn oplossingen te vinden door aanpassing van de Drinkwaterwet.

  • Geef helderheid op zéér korte termijn over de financieringsruimte voor de periode 2025-2027;
  • Werk voortvarend aan verbetermogelijkheden voor de langere termijn, die wijziging van de Drinkwaterwet behoeven, zodat drinkwaterbedrijven hun wettelijke plicht kunnen blijven vervullen in een periode van grote uitdagingen.

Zorgplicht en leveringsplicht

In de Drinkwaterwet staat dat de openbare drinkwatervoorziening volksgezondheid, welzijn én welvaart dient. Nu al komt de drinkwatervoorziening voor bedrijven soms in de knel. De reikwijdte van de wettelijke zorgplicht van overheden voor de drinkwatervoorziening is onderwerp van discussie in het kader van de uitvoering van de Beleidsnota Drinkwater. De zorgplicht van overheden is een direct uitvloeisel van de leveringsplicht van de drinkwaterbedrijven. Tot nu toe heeft er nooit twijfel over bestaan dat deze leveringsplicht en zorgplicht ook gelden voor leveringen van drinkwater aan zakelijke klanten. Indien deze interpretatie zou veranderen en drinkwaterbedrijven niet langer kunnen voorzien in de behoefte van zakelijke klanten en deze – als dat al mogelijk is – eigen voorzieningen gaan treffen schaadt dat het doelmatig zoetwaterbeheer, leidt dat tot onderbenutting van de publieke infrastructuur (met kostenafwenteling naar huishoudens) en levert dat risico’s op voor economie en werkgelegenheid. De drinkwatersector bepleit in de wet te verduidelijken dat drinkwaterbedrijven een brede leveringsplicht hebben, ook voor bedrijven die water van drinkwaterkwaliteit nodig hebben, en overheden een zorgplicht die daarmee in verhouding is.

In het wetgevingsoverleg van januari 2024 heeft de minister onderschreven dat leveringsplicht en zorgplicht ook moeten gelden voor zakelijke afnemers die drinkwaterkwaliteit nodig hebben en toegezegd op korte termijn in kaart te brengen over welke afnemers het gaat , vanuit het uitgangspunt "het juiste water voor het juiste gebruik". De drinkwatersector is bereid om een voorstel hiervoor op te stellen en samen met het ministerie van IenW deze afbakening concreet te maken.

  • Werk in overleg met de drinkwatersector de afbakening uit van de zakelijke afnemers die water van drinkwaterkwaliteit nodig hebben en bereid een wijziging van de Drinkwaterwet voor die verduidelijkt dat deze afnemers ook onder de wettelijke leveringsplicht en zorgplicht vallen.

Kaderrichtlijn Water

De druk op de kwaliteit van de drinkwaterbronnen door verontreinigingen afkomstig uit de landbouw, industrie en huishoudens is de laatste jaren alleen maar toegenomen. Dit vraagt extra inspanningen van drinkwaterbedrijven om schoon en veilig drinkwater te blijven produceren. Dit terwijl de Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt dat de zuiveringsinspanning om drinkwater te maken juist verminderd moet worden. Uit verschillende rapporten (zoals de Nationale Analyse Waterkwaliteit (PBL, 2020) en Staat drinkwaterbronnen (RIVM, 2020)) blijkt dat in een groot deel van de winningen voor drinkwaterproductie probleemstoffen in normoverschrijdende concentraties worden gevonden. Daarnaast is ‘vergrijzing’ van het grondwater een toenemend probleem: lage concentraties van een cocktail van stoffen zijn vrijwel overal aanwezig. Stevige inzet is nodig om de waterkwaliteit van drinkwaterbronnen te verbeteren.

De Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) stelde in haar briefrapport over de KRW (mei 2023) dat met het huidige Nederlandse beleid de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) in 2027 redelijkerwijs niet meer gehaald kunnen worden. De Rli concludeert ook dat overheden nog nauwelijks invulling geven aan hun wettelijke zorgplicht voor de bescherming van drinkwaterbronnen. De Raad adviseert onder andere om te zorgen voor een betere doorwerking van de KRW op alle relevante beleidsterreinen en in wetgeving voor bestrijdingsmiddelen, prioritaire stoffen, medicijnresten etc. Waar nodig moeten verplichtende maatregelen worden ingezet. Daarnaast adviseert de Rli om voldoende fysieke ruimte te reserveren voor drinkwaterwinning.

Rijk en regio zijn begin 2023 een gezamenlijk KRW-impulsprogramma gestart. Door het maken van aanvullende afspraken en het uitvoeren van nieuwe maatregelen willen ze de kans op het alsnog halen van de KRW-doelen vergroten. De aanbevelingen van de Rli en de doelen van het KRW-impulsprogramma sluiten goed aan bij de inzet van Vewin op het gebied van het beschermen van drinkwaterbronnen. Bij de aanpak van verontreinigende stoffen in het impulsprogramma is het van belang om de stoffen die relevant zijn voor drinkwater mee te nemen.

  • Zet alles op alles om de KRW doelen uiterlijk in 2027 te halen, conform de hoofddoelstelling van de KRW. Geef hierbij prioriteit aan het verbeteren van de kwaliteit van drinkwaterbronnen.


Lozingen van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) leiden nog regelmatig tot innamestops van oppervlaktewater voor de productie van drinkwater. Met de toenemende droogte en lage rivierafvoeren wordt dit probleem naar verwachting alleen maar groter. Het is daarom belangrijk om beleid dat gericht is op het beter in beeld krijgen en minimaliseren van de emissie van ZZS stoffen, te vertalen in aangescherpte vergunningsvoorwaarden en voldoende toezicht.

  • Zorg voor een integraal overzicht van alle lozingen van PFAS en ZZS stoffen op oppervlaktewater, uiterlijk in december 2024;
  • Zorg voor periodieke actualisatie van vergunningen voor lozingen van ZZS stoffen gericht op minimalisatie van emissies;
  • Minimaliseer via aanscherping van vergunningen zo snel mogelijk, vooruitlopend op het Europese verbod, de emissies van PFAS.

Non-papers Kaderrichtlijn Water

Het Belgische voorzitterschap van de Raad heeft wijzigingen voorgesteld in het Commissievoorstel voor de herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW). De wijzigingen zijn ingegeven door het initiatief van Nederland. In twee “non-papers” bepleit Nederland om binnen de KRW tijdelijke achteruitgang te accepteren en om op een andere manier te mogen rapporteren over de voortgang in de verbetering van de waterkwaliteit (niet alleen volgens het “one-out-all-out”principe). In het gewijzigde voorstel zien we helaas ook andere wijzigingen ten opzichte van de versie die door het Europees Parlement is goedgekeurd.

PFAS

Specifiek voor grondwater wordt voorgesteld om de PFAS norm te verhogen naar 100 ng PEQ/l (PEQ = PFOA equivalenten). Voor oppervlaktewater blijft de norm in het voorstel 4,4 ng PEQ/l. Dit is zorgelijk omdat de grondwaternormen hierdoor minder beschermend zijn tegen PFAS verontreiniging, terwijl grondwater – net als oppervlaktewater – juist veel gebruikt wordt om drinkwater van te maken. Daarnaast geldt zeker voor grondwater dat verontreinigingen onomkeerbaar zijn. Het RIVM heeft voor drinkwater een richtwaarde van 4,4 ng PEQ/l afgeleid. Dit is vertaald in een norm voor oppervlaktewater. Uit voorzorg is het goed dit ook voor grondwater te gebruiken.

  • Stel conform eerdere voorstellen voor de herziening van de KRW de normering voor PFAS in grondwater gelijk aan de oppervlaktewaternormen: max 4,4 ng PEQ/L voor de 20 PFAS die opgenomen zijn in de Drinkwaterrichtlijn.

Bestrijdingsmiddelen
In het voorstel van België is ook een wijziging opgenomen rond de normering van metabolieten (afbraakproducten) van bestrijdingsmiddelen. Metabolieten van bestrijdingsmiddelen worden onderverdeeld in relevant en niet relevant. Voor niet-relevante metabolieten van bestrijdingsmiddelen zijn de normen in het voorstel verwijderd. Er zijn dus alleen normen opgenomen voor relevante metabolieten, waarbij is aangegeven dat er een lijst opgesteld moet worden van metabolieten die als relevant worden gezien. Dit is zorgelijk omdat de definities van relevante en niet-relevante metabolieten die gebruikt worden bij o.a. de toelating van bestrijdingsmiddelen verschillen van de definities in de Nederlandse drinkwater wet- en regelgeving. Drinkwaterbedrijven zijn van mening dat metabolieten van bestrijdingsmiddelen sowieso niet in ons grondwater en drinkwater thuishoren, relevant of niet. Voor de bescherming van drinkwaterbronnen is het van belang om voor alle metabolieten één norm te hanteren.

  • Normeer conform het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie metabolieten (afbraakproducten) van bestrijdingsmiddelen op 0,1 μg/l (per individuele stof) en 0,5 μg/l (voor de som).

Waterbesparing

Het Nationaal Plan van Aanpak Waterbesparing en het daaronderliggende Procesplan Uitvoering is na een zorgvuldig proces met alle relevante stakeholders tot stand gekomen. Vewin omarmt de doelstellingen uit het plan van aanpak en de acties die moeten leiden tot het behalen van die doelstellingen. Het laat zien dat het behalen van drinkwaterbesparingsdoelen afhankelijk is van de inzet van veel partijen.
Vewin benadrukt dat het belangrijk is dat alle betrokken partijen hun rol en verantwoordelijkheid nemen in de uitvoering van het plan van aanpak.

  • Nu aan de slag met alle partijen om de acties en doelstellingen van het plan van aanpak te realiseren.


Download standpunt

Tags by dit artikel
Delen via:

Meer informatie

Arjen Frentz
 

Arjen Frentz

070 34 90 890

[email protected]