Geen herziening Kaderrichtlijn Water
Standpunt - 31 maart 2026
De Europese Commissie heeft op 16 december 2025 de Food & Feed Safety Omnibus gepresenteerd. Met dit pakket wil de Commissie verschillende verordeningen en richtlijnen op het gebied van landbouw en voedsel aanpassen. Het pakket omvat een grote hoeveelheid dossiers, maar de belangrijkste wijzigingen betreffen de verordeningen en richtlijnen die gaan over de toelating en gebruik van bestrijdingsmiddelen.
Vewin is van mening dat de voorstellen in deze omnibus een risico vormen voor de waterkwaliteit en voor de kwaliteit en bescherming van drinkwaterbronnen in het bijzonder. Het is van belang dat wet- en regelgeving die ziet op bestrijdingsmiddelen niet minder maar juist meer rekening houdt met waterkwaliteitsdoelen en -normen uit de Kaderrichtlijn Water en de Drinkwaterrichtlijn. Vewin stelt daarom diverse wijzigingen voor op het voorstel van de Europese Commissie.
Neem stelling tegen de voorstellen in de Food & Feed Safety Omnibus die zorgen voor een afzwakking van het beleid voor de toelating en beoordeling van bestrijdingsmiddelen, met negatieve gevolgen voor de kwaliteit en bescherming van drinkwaterbronnen.
Vewin licht hieronder de belangrijkste zorgpunten en voorgestelde wijzigingen toe.
De Europese Commissie stelt voor om de goedkeuring van werkzame stoffen in beginsel plaats te laten vinden voor onbepaalde tijd. Daarnaast wordt de verplichte periodieke herbeoordeling van de meeste werkzame stoffen geschrapt. Herbeoordeling van stoffen zal risico-gestuurd plaatsvinden (o.a. afhankelijk van nieuwe informatie), via een werkprogramma.
In de huidige situatie zijn periodieke herbeoordelingen een belangrijk moment waarop nieuwe inzichten rond risico’s voor de waterkwaliteit worden meegewogen, mogelijk leidend tot strengere gebruiksvoorwaarden of niet verlengen van de toelating. In de nieuwe situatie wordt herbeoordeling vooral afhankelijk van het tijdig signaleren van nieuwe inzichten over risico’s van stoffen, en van een ambitieus werkprogramma waarin de juiste prioriteiten worden gesteld en nagekomen. Dit brengt grote risico’s met zich mee dat risicovolle stoffen veel te lang worden toegelaten en toegepast en voor verontreiniging van drinkwaterbronnen blijven zorgen.
- Zorg dat toelating van werkzame stoffen blijft plaatsvinden voor een afgebakende periode, gecombineerd met een verplichte periodieke herbeoordeling. Zorg voor voldoende capaciteit om deze herbeoordeling ook tijdig te laten plaatsvinden.
- Behoud Artikel 5 en 18 van de huidige Verordening 1107/2009 en verwerp het nieuwe Commissievoorstel.
Voor stoffen die niet (meer) worden goedgekeurd wordt de zgn. ‘grace period’ verlengd. Dit is de uitfaseringsperiode waarin de middelen waarin deze stoffen zitten nog verkocht en gebruikt mogen worden. De periode waarin verkoop en distributie nog mag plaatsvinden, plus de aanvullende opgebruiks-periode, wordt in totaal verlengd van maximaal 1,5 naar 3 jaar. Dit betekent dat verboden risicovolle bestrijdingsmiddelen veel langer op de markt kunnen blijven en gebruikt mogen worden, met negatieve gevolgen voor de waterkwaliteit.
- Behoud de huidige maximale ‘grace period’ (uitfaseringsperiode) van 1,5 jaar voor stoffen die niet (meer) worden goedgekeurd.
- Behoud Artikel 20(2) en 46(3) van de huidige Verordening 1107/2009 en verwerp het nieuwe Commissievoorstel.
Het al dan niet meenemen van de laatste wetenschappelijke inzichten bij toelating of herbeoordeling wordt meer gecentraliseerd op Europees niveau. De bedoeling is dat lidstaten bij de beoordeling van middelen moeten uitgaan van gezamenlijk vastgelegde wetenschappelijke informatie, die is gebruikt bij de toelating van de werkzame stof op EU-niveau. Maar volgens de voorstellen uit de omnibus worden stoffen in beginsel voor onbeperkte tijd toegelaten. Hierdoor kan de wetenschappelijke informatie die is gebruikt bij de beoordeling van een stof jaren oud zijn. Een lidstaat krijgt in dat geval niet de ruimte om bij de toelating van een middel waar de betreffende stof in zit, eigen analyses en recente wetenschappelijke informatie te gebruiken. Hierdoor worden nieuwe inzichten over de risico’s van stoffen niet meegenomen.
- Zorg dat lidstaten de ruimte blijven houden om bij de toelating van bestrijdingsmiddelen de laatste wetenschappelijke inzichten over de risico’s van stoffen mee te nemen.
- Behoud Artikel 36(3) van de huidige Verordening 1107/2009 en verwerp het nieuwe Commissievoorstel.
De wederzijdse erkenning (‘mutual recognition’) van middelen wordt vereenvoudigd en het wordt makkelijker om deze aan te vragen. Via een wederzijdse erkenning kunnen lidstaten toelatingen uit andere lidstaten ook in hun land toelaten. Zo kunnen aanvragers op relatief korte termijn een toelating voor hun middel krijgen in een lidstaat. Het makkelijker maken van wederzijdse erkenning betekent dat middelen die in andere landen zijn toegelaten – onder andere omstandigheden – sneller in Nederland beschikbaar kunnen komen. De ruimte voor nationale waterkwaliteits-specifieke argumenten in de toelatingsfase wordt hiermee kleiner, omdat wederzijdse erkenning het uitgangspunt is. Het wordt moeilijker om via de toelating in te grijpen; de noodzaak voor het nemen van maatregelen via o.a. gebruiksvoorschriften neemt toe.
- Zorg dat lidstaten de nationale specifieke omstandigheden mee kunnen blijven nemen bij de toelating van middelen in hun eigen land. Vereenvoudiging van wederzijdse erkenning mag er niet voor zorgen dat deze mogelijkheden worden beperkt.
- Behoud Artikel 40 en 42 van de huidige Verordening 1107/2009 en verwerp het nieuwe Commissievoorstel.
De Commissie stelt voor om de definitie van ‘aerial spraying’ te updaten, en het mogelijk te maken om bestrijdingsmiddelen te verspreiden/spuiten via drones. Het gebruik van drones kan er mogelijk voor zorgen dat er meer emissie van middelen naar bodem en water optreedt (o.a. drift). De toepassing van drones en de gevolgen daarvan moeten eerst beter worden onderzocht.
- Onderzoek eerst wat de gevolgen zijn van het gebruik van drones voor het spuiten van bestrijdingsmiddelen voor de kwaliteit van bodem en water, voordat de mogelijkheden hiervan worden vergroot.
- Neem deze voorwaarde op in Artikel 3(5) van de Richtlijn 2009/128/EC.
Verder lezen? Vewin biedt meer informatie over dit onderwerp. Klik hiernaast om naar een gerelateerde pagina te gaan.